gezemel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ze·mel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezemel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezemel o

  1. (pejoratief) nutteloos gepraat dat te klaaglijk, hoogdravend of vrijblijvend is
    • Al dadelijk dat gezemel van Martha over de Burgerlijke Stand. Zie je wel, waren ze maar geregeld getrouwd! [2]
    • En ik kan tijden staan genieten voor de etalages van souvenirwinkels, waar ook ter wereld. Christus aan een kruis van hertsgeweien, katten van zwart fluweel als drankflessen, radio's in de vorm van een raceauto. Slechte smaak, akkoord, maar mij véél liever dan het gezemel van mensen die menen dat zij persoonlijk de schoonheid in pacht hebben. [3]
Synoniemen


Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen