gefemel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·fe·mel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gefemel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gefemel o [1]

  1. aanhoudend iemand op een huichelachtige manier vleien
    • Helen Hunt werd wel genomineerd. Niet onterecht, want ze speelt de therapeute die de verlamde schrijver Mark O'Brien aan een seksuele ervaring helpt met een naturel die ons erg bevalt. Maar we vermoeden dat Hunt door haar collega's werd genomineerd omdat ze op haar 48ste nog frontaal naakt durfde te acteren, als we zien hoeveel inkt daar in de Verenigde Staten over is gevloeid. Dat is dan weer jammer, want The sessions is net verfrissend wars van dat soort schijnheiligheid en gefemel over seks.[2] 
    • Celine was een antisemiet en een schoft die met de Duitsers collaboreerde en daarmee uit. Van mogelijke nuanceringen wilde hij niet horen. Dat was niet meer dan gefemel van halfzachte intellectuelen die de vitale dissonanties waar Celine hen mee opzadelde niet wisten te verwerken.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.

Verwijzingen