gekruid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kruid
Woordherkomst en -opbouw

Deelwoord

bevestigend
deelwoord
ontkennend
deelwoord
onverbogen gekruid ongekruid
verbogen gekruide ongekruide
vervoeging van
kruiden

gekruid voltooid deelwoord van kruiden

  1. vormt de lijdende vorm
    • De saus moest nog gekruid worden. 
  2. vormt de voltooide tijden
    • Hij had het lekker gekruid. 
  3. attributief gebruikt
    • Het sterk gekruide gerecht kon hem niet bekoren. 

Deelwoord

deelwoord
onverbogen gekruid
verbogen gekruide
vervoeging van
kruien

gekruid voltooid deelwoord van kruien

  1. vormt de lijdende vorm
    • Zijn koffers werden van het perron gekruid. 
  2. vormt de voltooide tijden
    • Vroeger zouden ze zijn koffers gekruid hebben. 
  3. attributief gebruikt
    • Gekruide koffers waren vroeger heel gewoon. 
  4. attributief gebruikt (ergatieve betekenis)
    • Het gekruide ijs trok veel bekijks. 
Synoniemen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van kruiden: de stam met omvoegsel ge- -d, zonder -d omdat de stam al op -d eindigt
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gekruid gekruider gekruidst
verbogen gekruide gekruidere gekruidste
partitief gekruids gekruiders -

Bijvoeglijk naamwoord

gekruid

  1. (kookkunst) met keukenkruiden behandeld ter verhoging van de smaak
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.