kruien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Het ijs kruit [2] in 1939

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Middelnederlands cruden «duwen», verwant aan Engels crowd.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kruien
kruide
(krooi)
gekruid
(gekrooien)
zwak -d

klasse 2

volledig

Werkwoord

kruien

  1. (overgankelijk) iets vervoeren op een karretje of kruiwagen
    Hij kruide de stenen naar de metselaars.
    Terwijl hij een kruiwagen geladen met steenen, naar het schip krooi viel hij van de loopplank en verdween in de diepte.[1]
  2. (ergatief) van ijsschollen over en op elkaar schuiven
  3. (overgankelijk) een molen met de wieken op de wind zetten
Opmerkingen
  • (verouderd) De sterke vormen zijn verouderd. Het Middelnederlandse werkwoord was zwak.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Rotterdamsch Nieuwsblad 30 aug 1901