kruien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Het ijs kruit [2] in 1939

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Middelnederlands cruden «duwen», verwant aan Engels crowd.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kruien
kruide
(krooi)
gekruid
(gekrooien)
zwak -d

klasse 2

volledig

Werkwoord

kruien

  1. overgankelijk iets vervoeren op een karretje of kruiwagen
    • Hij kruide de stenen naar de metselaars. 
    • Terwijl hij een kruiwagen geladen met steenen, naar het schip krooi viel hij van de loopplank en verdween in de diepte.[1] 
  2. ergatief van ijsschollen over en op elkaar schuiven
  3. overgankelijk een molen met de wieken op de wind zetten
Opmerkingen
  • (verouderd) De sterke vormen zijn verouderd. Het Middelnederlandse werkwoord was zwak.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Rotterdamsch Nieuwsblad 30 aug 1901