gemurmel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·mur·mel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemurmel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemurmel o [1]

  1. het aanhoudend zacht en slecht verstaanbaar praten; aanhoudend binnensmonds praten
    • Bij gelegenheden waar het volkslied wordt gezongen sta je als gewoon burger met plaatsvervangende schaamte te luisteren naar het gemurmel en gestuntel van andere mensen die niet weten wat ze zingen moeten. [2] 
    • De zaak is nagenoeg vol, maar van tumult is geen sprake. Aan de tafels klinkt beschaafd gemurmel. De Domtoren is beklommen en hier blaast men uit, veelal in het Engels. [3] 
    • Het vrouwenvoetbal is gebouwd op onverschrokken vrouwen die door roeien en ruiten gingen om de sport van hun keuze te kunnen beoefenen In de nasleep van het EK Vrouwenvoetbal hoor ik - naast al het gejuich over de winst - ook ontevreden gemurmel dat het niveau toch niet hetzelfde is als bij de mannen. En hoorde ik mannen pruttelen dat je het vrouwenvoetbal niet met mannenvoetbal mag vergelijken, omdat je dan meteen een seksist bent. Onder anderen Kenneth Perez, analist bij Foxsports, maakte zich er druk over. [4] 
  2. het aanhoudende geluid dat stromend water maakt
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen