gebeuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·beuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebeuk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gebeuk o [1]

  1. het aanhoudend hard op iets slaan (met als doel het te vernietigen)
    • De refozuil wordt niet allereerst bedreigd door het gebeuk van buitenaf, maar door interne secularisatie, stelt dr. A. J. Kunz. Het besef dat we hier niet thuis zijn maar onderweg zijn naar een hemels vaderland, is verdwenen.[2] 
    • Op Spaanse mannen met dynamiet in hun benen als Alejandro Valverde is het bijvoorbeeld – zo kort na de Ronde van Baskenland - nog even wachten. Peter Sagan, de winnaar van 2013, laat de Brabantse Pijl ook links liggen, na al het gebeuk op de kasseien.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen