gebonk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bonk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebonk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gebonk o [1]

  1. het aanhoudend een dof, hard stotend lawaai maken
    • De inhoud van de juten zak die op pakjesavond met gebonk voor de deur verschijnt, is dankzij de toename van online verkopen en dataonderzoek, voorspelbaar geworden voor beleggers. Sinterklaas kocht dit jaar behalve traditioneel speelgoed vaker gadgets zoals sporthorloges, fitness-trackers, games, luxe audio-apparaten en trendy espressomachines. Dit jaar zijn de kleinste drones een trend.[2] 
    • Het 68-jarige medium zat tijdens de ceremonie op een houten platform in de wok. Na ruim een half uur hoorden aanhangers gebonk op het zware deksel. Lim Ba werd bewusteloos en met brandwonden aangetroffen. Hij overleed ter plekke aan de gevolgen van een hartaanval.[3] 
    • De Amsterdamse politie is gister een woning binnen gevallen, nadat de kleinzoon van een bejaarde man alarm had geslagen. Omdat de man niet reageerde op het gebonk en gebel door de politie en kleinzoon, besloot de politie de deur te forceren. De man lag ’dood’ op bed, maar later bleek hij hij slechts heel diep te slapen.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf THEO BESTEMAN 02 dec. 2017
  3. de Telegraaf 25 okt. 2017
  4. de Telegraaf 19 feb. 2017