fuif

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fuif
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘feest’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1884 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fuif fuiven
verkleinwoord fuifje fuifjes

Zelfstandig naamwoord

fuif v/m

  1. vrolijk besloten feest
    • Veel mensen drinken bier op een fuif. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Werkwoord

vervoeging van
fuiven

fuif

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fuiven
    • Ik fuif. 
  2. gebiedende wijs van fuiven
    • Fuif! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fuiven
    • Fuif je? 

Meer informatie

Verwijzingen