fuif

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fuif
enkelvoud meervoud
naamwoord fuif fuiven
verkleinwoord fuifje fuifjes

Zelfstandig naamwoord

fuif v/m

  1. vrolijk besloten feest
    • Veel mensen drinken bier op een fuif. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Werkwoord

vervoeging van
fuiven

fuif

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fuiven
    • Ik fuif. 
  2. gebiedende wijs van fuiven
    • Fuif! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fuiven
    • Fuif je?