formatteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·mat·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
formatteren
formatteerde
geformatteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

formatteren

  1. overgankelijk van een format voorzien
  2. overgankelijk (informatica) de harde schijf of een verwisselbare schijf initialiseren
    • Hij moest de harde schijf eerst formatteren voordat Windows geïnstalleerd kon worden. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire