formatteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·mat·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
formatteren
formatteerde
geformatteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

formatteren

  1. (overgankelijk) van een format voorzien
  2. (overgankelijk) (informatica) de harde schijf of een verwisselbare schijf initialiseren
    Hij moest de harde schijf eerst formatteren voordat Windows geïnstalleerd kon worden.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Wiktionnaire