formatteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·mat·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
formatteren

formatteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van formatteren
    • Ik formatteerde. 
    • Jij formatteerde. 
    • Hij, zij, het formatteerde.