Naar inhoud springen

filiaal

Uit WikiWoordenboek
  • fi·li·aal
enkelvoud meervoud
naamwoord filiaal filialen
verkleinwoord filiaaltje filiaaltjes

hetfiliaalo

  1. (bedrijfskunde) (bij een organisatie met meerdere vestigingen) elk van de vestigingen die niet de hoofdvestiging is
    • De supermarktketen had zojuist drie nieuwe filialen geopend. 
    • Hij praatte niet veel, hij kon goed uit de voeten met cijfers. Vóór de oorlog was hij kassier in een filiaal van de Banque de l'Union parisienne. [5] 
stellend
onverbogen filiaal
verbogen filiale
partitief filiaals

filiaal

  1. van kinderen en ouders tegenover elkaar
97 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[6]