succursale

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

succursale
Uitspraak
Woordafbreking
  • suc·cur·sa·le
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans
enkelvoud meervoud
naamwoord succursale succursalen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

succursale v/m [1]

  1. (financieel) hulpkantoor, bijkantoor, filiaal van een bank
     "Over private banking bestaan veel misverstanden”, zegt Annick Haerens (58), directeur van het Belgische succursaal van de Luxemburgse private bank CBP Quilvest.[2]
  2. (religie) bijkerk
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

14 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Wieland De Hoon “Een carrière in private banking? 6 essentiële richtlijnen” (06/09/2019), De Standaard
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be