falanx

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·lanx
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘slagorde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord falanx falanxen
verkleinwoord falanxje falanxjes

Zelfstandig naamwoord

falanx v / m [3]

  1. (historisch) rechthoekige gesloten formatie van zware infanterie, veel gebruikt door de Grieken in de klassieke oudheid
  2. (militair) opstelling van een leger, slagorde
  3. (anatomie) kootje van vinger of teen
Vertalingen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen