evangelist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • evan·ge·list
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schrijver van een evangelie, verkondiger van het evangelie’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van evangelie met het achtervoegsel -ist [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord evangelist evangelisten
verkleinwoord evangelistje evangelistjes

Zelfstandig naamwoord

evangelist m

  1. (religie) een volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
    • Marcus en Lucas waren evangelisten. 
  2. (beroep) een verkondiger van het christelijke geloof met name aan niet-gelovigen
    • Billy Graham was een bekende evangelist. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen