erin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·in
Woordherkomst en -opbouw
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     in  
 persoonlijk     erin  
aanwijz.   nabij     hierin  
  veraf     daarin  
  vragend/betrekk.     waarin  

Voornaamwoordelijk bijwoord

(scheidbaar)
erin [1]

  1. persoonlijk: *in+het, in+ze:
    • Het zat erin verstopt. 
    • Er zat iets in verstopt. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • De klad erin brengen
Het slechter gaan
  • De sokken erin zetten
vluchten
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Yoruba

Zelfstandig naamwoord

erin

  1. (zoogdieren) olifant