eclectisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ec·lec·tisch
Woordherkomst en -opbouw
  • van Duits eklektisch, in de betekenis van ‘uitkiezend’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1][2]
  • van het Griekse 'eklegein' (kiezen)
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eclectisch eclectischer
verbogen eclectische eclectischere
partitief eclectisch eclectischers -

Bijvoeglijk naamwoord

eclectisch

  1. het beste uitkiezend
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen