duvels

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·vels
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van duvel met het achtervoegsel -s

Tussenwerpsel

duvels

  1. een uitroep van verbazing
    • Duvels zeg! 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen duvels duvelser duvelst
verbogen duvelse duvelsere duvelste
partitief duvels duvelsers -

Bijvoeglijk naamwoord

duvels

  1. als een duvel
    • Dat was echt een duvels plan. 
  2. vervloekt
    • Die duvelse jongen heeft weer iets uit mijn tuin gestolen! 
  3. boos, ongeduldig
    • Je wordt er duvels van. 

Bijwoord

duvels

  1. In hoge mate
    • Ik was toen echt even duvels kwaad. 

Zelfstandig naamwoord

duvels mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord duvel

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.