geduvel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·du·vel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geduvel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geduvel o

  1. ruzieachtig gedoe
    • Voor Nawijn is het onverteerbaar dat fractievoorzitter Herben maandag eigenhandig besloot opnieuw lid te worden van de partij LPF. „Absoluut onjuist", aldus Nawijn. De fractie had immers eind augustus gezamenlijk besloten los van de partij verder te gaan, omdat de Kamerleden het „geduvel"bij de partij zat waren.[2] 
    • Opnieuw geduvel in het Midden-Oosten, al sinds jaar en dag een wespennest. Burgeroorlog, weer duizenden doden en gewonden, immense vluchtelingenstromen. Grote gevolgen, ook voor de toeristenindustrie.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. geduvel op website: Etymologiebank.nl
  2. Reformatorisch Dagblad 05-10-2004 Nawijn zal uit LPF–fractie stappen
  3. de Telegraaf JOS VAN NOORD 29 aug. 2013 Wespennest