dubbelhartig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel·har·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dubbelhartig dubbelhartiger dubbelhartigst
verbogen dubbelhartige dubbelhartigere dubbelhartigste
partitief dubbelhartigs dubbelhartigers -

Bijvoeglijk naamwoord

dubbelhartig

  1. met twee tegengestelde karakters
    • Was Cicero echt een roddelkont, die met krukjes smeet, niet tegen bloed kon en geneigd was tot tranen toe geroerd te worden? Was hij behalve een scherpzinnig redenaar ook ‘ijdel, dubbelhartig, hebzuchtig, naïef’ en een groot liefhebber van vastgoed?[1] 
  2. zich qua karakter beter voordoend dan in werkelijkheid het geval is
    • De dubbelhartige man deed alsof hij een vrome aanbidder was van de heilige maagd maar ondertussen deed hij alles wat god en de kerk verboden hebben. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Peter de Bruijn 26 november 2015