dorpsbewoner
Uiterlijk

- Geluid: dorpsbewoner (hulp, bestand)
- IPA: / ˈdɔrᵊpsbəˌwonər / (4 of 5 lettergrepen)
- dorps·be·wo·ner
- samenstelling van dorp en bewoner met het invoegsel -s- [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dorpsbewoner | dorpsbewoners |
| verkleinwoord |
de dorpsbewoner m
- iemand die in een dorp woont
- In 2006 was 15 procent van de Nederlanders negatief over homo- en biseksualiteit, aldus het SCP-rapport, en vorig jaar was dat verder gedaald tot 7 procent. Ook in kringen die doorgaans minder blijmoedig over homoseksuelen denken, zoals wekelijkse kerkgangers, mannen, ouderen, dorpsbewoners en stemmers op christelijke partijen, wordt minder negatief geoordeeld.[2]
- Het woord dorpsbewoner staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "dorpsbewoner" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ NRC Arjen Schreuder 3 april 2017
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 12
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 of 5 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Invoegsel -s- in het Nederlands
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %