doper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doper dopers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doper m [1]

  1. iemand die iemand anders ritueel met water besprenkelt of erin onderdompelt en zodoende tot een geloof toelaat
    • Van de tentoonstelling Maria in het Catharijneconvent in Utrecht verwachtte ik veel, maar het valt tegen. Ik was uit op lekker veel afbeeldingen van de Visitatie – belachelijk statig woord voor dat eeuwige moment van tederheid: de ontmoeting van twee zwangere vrouwen. Maria en haar nicht Elisabeth, aanstaande moeder van Johannes de Doper, raken elkaars buik aan om de baby’s te voelen schoppen. Er is er hier maar een. Wel een mooie, uit 1465. Maar verder… wat moet ik met een schoolplaat en met die vitrine vol troep uit Lourdes? [2] 
  2. iemand die behoort tot de doopsgezinden
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joyce Roodnat 15 februari 2017


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·per

Werkwoord

doper

  1. informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het perfectieve werkwoord doprat