doodklap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dood·klap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doodklap doodklappen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doodklap m

  1. een dodelijke slag
  2. (figuurlijk) iets dat ervoor zorgt dat iets of iemand niet meer doorgaat met te bestaan
    • " Over de band met Twente is het fonds positief, maar tegelijk signaleert ze een spagaat. Schermer: "Daar is geen sprake van, we hebben een LAT-relatie met Hengelo en dat bevalt iedereen prima." Alaska beraadt zich nog over een mogelijk beroep tegen het besluit. "Dit is niet de doodklap. Misschien kunnen we een beroep doen op korter lopende regelingen." [1] 
    • De kleine raamexploitanten vrezen komend jaar de doodklap door de Wet regulering prostitutie, die nu bij de Eerste Kamer ligt en naar verwachting medio 2012 van kracht wordt. De wet verplicht exploitanten permanent aanwezig te zijn als hun bordeel in bedrijf is. 'Dat is voor ons einde verhaal,' zegt Anja Schmidt-van Vegten (twee ramen). 'Grote exploitanten huren gewoon bedrijfsleiders in. Voor mij gaat dat niet op.' [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen