dommerik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·me·rik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van dom met het achtervoegsel -erik
enkelvoud meervoud
naamwoord dommerik dommeriken
verkleinwoord dommerikje dommerikjes

Zelfstandig naamwoord

dommerik m

  1. iemand die niet erg slim is
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be