dolaard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·laard
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dolaard dolaards
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dolaard m [1]

  1. iemand die schijnbaar doelloos rondzwerft
     Dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen betekent voor de dolaards en de ware wijzen.[2]
     Als ik voorbij Gojo de laagvlakte verlaat en aan de uiteindelijke bedevaart begin, zit hij langs de rand van de weg rijstwijn te drinken. De universele dolaard. Waar men ook komt ter wereld, de Franse chemineau, de Amerikaanse hobo, ze zijn allemaal onderweg naar nergens.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Prijkt gedicht 'Bericht aan de reizigers' binnenkort in Antwerpen Centraal?” (22/03/2010), De Standaard
  3. Bronlink Weblink bron Michiel Hendryckx “Dolaard” (08/05/2012), De Standaard
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be