digitaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·gi·taal
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen digitaal digitaler digitaalst
verbogen digitale digitalere digitaalste
partitief digitaals digitalers -

Bijvoeglijk naamwoord

digitaal [2]

  1. gegevens op een telbare manier verwerkend meestal met behulp van een computer
  2. (anatomie) op de vingers of de tenen betrekking hebbend
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal