dictator

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dic·ta·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dictator dictatoren
dictators
verkleinwoord dictatortje dictatortjes

Zelfstandig naamwoord

dictator m

  1. (politiek) iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
    • Er heerste een euforische stemming na het vertrek van de gehate dictator. 
    • Veel kritische noten zijn er tijdens de ‘Het Team’ daarom niet te verwachten. Maar dat de Russische realityshow unieke tv op gaat leveren, staat bij voorbaat vast. De Tsjetsjeense bergen zijn adembenemend, en de bevolking is kleurrijk – ‘woest’ zeggen ze in Rusland. Kadyrov is een charismatische dictator, een gedrongen worstelaar in vreemde kostuums, met een steeds langer wordende rossige baard. Presentator Kortsjevnikov is de wat onhandige schoonzoon aan zijn zijde. Als hij van vermoeidheid struikelt over zijn eigen benen, vangt Kadyrov hem op. „Staan!”[2] 
  2. heerszuchtig persoon
    • Slave City is een artistieke dictatuur. Als je dat beseft is ineens ook het machtsvraagstuk opgelost: de grote dictator, die aan alle touwtjes trekt is Van Lieshout zelf. Maar zelf blijft hij dus buiten beeld.[3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. NRC Steven Derix 2 juli 2016
  3. NRC Hans den Hartog Jager 28 juni 2016