dicteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dic·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dicteren
dicteerde
gedicteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

dicteren

  1. overgankelijk zeggen wat een ander moet schrijven
    • (The Hoax) Biografische oplichtersfilm over de schrijver en dwangmatig leugenaar Clifford Irving (Richard Gere) die begin jaren 70 claimde een overeenkomst te hebben met Howard Hughes, de miljonair die jaren teruggetrokken leefde in een hotelkamer. Hughes zou zijn memoires aan hem dicteren. Met vervalste brieven kreeg Irving een contract voor bijna een miljoen dollar van een uitgever.[1] 
  2. dwingend voorschrijven
    • Rockefeller controleerde in 1877 ruim 90 procent van de olieraffinage in de VS. Op deze manier kon hij zijn eigen winstmarges dicteren en werd hij de rijkste mens ooit. Uiteindelijk vormde dit de aanleiding voor het ontstaan van mededingingswetgeving in de Verenigde Staten.[2] 
  3. in een wedstrijd op de eerste plaats staan
    • Al na drie bochten lagen Rosberg en Hamilton, als eerste en tweede gestart, uit de race. Daniel Ricciardo, die Verstappen deze week bij ‘zijn’ team Red Bull zag instappen, nam de leiding en leek de race te gaan dicteren. Pas na de tweede serie pitstops bleek het team voor de Nederlander een afwijkende strategie in petto te hebben: later dan de rest binnenkomen voor het tweede nieuwe setje banden en daarop de race uitrijden.[3] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 18 juni 2015
  2. NRC 5 maart 2016
  3. NRC Jules Seegers 15 mei 2016