diabeticus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·a·be·ti·cus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord diabeticus diabetici
verkleinwoord diabeticusje diabeticusjes

Zelfstandig naamwoord

diabeticus m

  1. (medisch) iemand die diabetes heeft
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie