debiliseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·bi·li·se·ren
enkelvoud meervoud
naamwoord debiliseren -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

debiliseren o

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
debiliseren
debiliseerde
gedebiliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord
debiliseren [1]

  1. overgankelijk debiel maken of worden

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.

Verwijzingen