debardeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

man gekleed in debardeur
Uitspraak
Woordafbreking
  • de·bar·deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord debardeur debardeurs
verkleinwoord debardeurtje debardeurtjes

Zelfstandig naamwoord

debardeur m

  1. (kleding) gebreid, knooploos en mouwloos vest. Deze mengvorm van trui en gilet kan worden gedragen onder een colbert.
    • In het weekblad 'Humo' noemde Marnix Peeters het Dictee onomwonden "compleet belachelijk". "Ik hecht sowieso niet veel belang aan spelling", weide hij uit. "Het is me allemaal te vermoeiend, en het zit in de weg van het eigenlijke schrijven. Als ik denk aan al die dwaze spellingregels, zie ik zeven heren van middelbare leeftijd in muisgrijze debardeurs, die zich zitten af te trekken aan een lange bruine tafel." Spellingfetisjisme is "krachtpatserij voor kneuzen", vindt Peeters. Zo, die zat. [2] 
    • En wat te denken van: "Hoeveel pijpen heeft een ’debardeur’?" Een debardeur blijkt een spencer. Nul pijpen dus, zo’n trui zonder mouwen. Strikvraag! [3] 
    • De reeks gaat 'back to the nineties', met veel gevoel voor drama en stijl – let op de grote brillen, de getoupeerde haren, de debardeurs en de epauletten. Elk detail klopt. Maar zoveel fictieve verhaallijnen, vermengd met ware feiten, kan verwarren. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen