bouwvakker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

bouwvakker
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·vak·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iem. die in de woningbouw werkt’ voor het eerst aangetroffen in 1963 [1]
  • afgeleid van bouwvak met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwvakker bouwvakkers
verkleinwoord bouwvakkertje bouwvakkertjes

Zelfstandig naamwoord

bouwvakker m

  1. (beroep) een arbeider die werkzaam is in de bouw
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen