critica

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cri·ti·ca
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van kritiek met het achtervoegsel -a
enkelvoud meervoud
naamwoord critica critica's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

critica v

  1. vrouwelijke vorm van criticus
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
criticar

critica

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van criticar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van criticar