gluiperd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glui·perd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gluiperd gluiperds
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gluiperd m

  1. (scheldwoord) iemand die gluipt (slinkse streken uithaalt, vals is en/of huichelachtig kijkt)
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen