couscous

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cous·cous
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Arabisch of Frans, in de betekenis van ‘deegwaar van kleine korrels’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1681 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord couscous -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

couscous v/m

  1. (voeding) Noord-Afrikaans gerecht met deegwaar van kleine korrels gemaakt van tarwe of gierst geserveerd met vlees of groente
    • Een orthodox-joodse familie zat couscous te eten en te kletsen met hun Arabische buren. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen