corpulentie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

corpulentie
Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·pu·len·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord corpulentie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

corpulentie v

  1. het te dik zijn van een mens of dier
    • Vaughan MacCaughey, hoogleraar aan het College of Hawaii in Honolulu, schreef in 1917 in The Scientific Monthly: „De hoofden van het oude Hawaï onderscheidden zich niet alleen door hun lengte, maar ook door hun gewicht. Tweehonderd kilo was niet ongewoon voor deze bevoorrechte klasse. En deze corpulentie was nog gewoner bij voorname vrouwen dan bij mannen.” De auteur scheef dat toen toe aan vier factoren. 1. Een dieet dat vooral bestond uit zetmeelrijke gewassen als knollen, bananen, zoete aardappelen en broodvruchten. 2. Regelmatig overeten; de Hawaïaanse edelen waren net als hun standgenoten in middeleeuws Europa grote eters, die per maaltijd enorme hoeveelheden tot zich namen. 3. Een indolente levensstijl; productieve arbeid werd verricht door de lagere standen, terwijl de adel een leven leidde van zalig nietsdoen. 4. Voor adellijke vrouwen was een groot, zwaar lijf een ideaal dat, aldus MacCaughey, ‘werd nagestreefd tot in het groteske’.[2] 
    • Als in de hele wereld een massale epidemie van corpulentie uitbreekt, kun je ook niet langer zeggen dat de dikke mensen het dan zelf maar moeten weten. In een goed opgeleide omgeving zie je ook weinig dikkerds. Die gaan naar restaurants met kleine porties op lege borden. Voor een kleiner budget is er Burger King. Ergens in het verleden, toen verheffing van het volk plaatsmaakte voor ongeremde consumptie, begon ook het gemiddeld aantal kilo’s per persoon te groeien, eerst in de VS, daarna elders, ook in arme landen.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. corpulentie op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Dirk Vlasblom 6 januari 2017
  3. NRC Maarten Huygen 17 december 2012