contracteren

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·trac·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
contracteren
contracteerde
gecontracteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

contracteren

  1. overgankelijk een contract sluiten met iemand
    • Het bedrijf wist een aantal toptalenten te contracteren. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be