context

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·text
enkelvoud meervoud
naamwoord context contexten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

context m

  1. verband waarin iets zich voordoet
  2. de tekst die om de tekst heen staat
    In de zinnen: "Ik haalde mijn geld van de bank." en "Ik ging lekker op de bank zitten." is de betekenis van het woord bank alleen maar te begrijpen door de context.
  3. de gebeurtenissen die vóór het gebeurde hebben plaatsgevonden
    De ontwikkelingen in Turkije kun je alleen maar begrijpen in de historische context.
Vertalingen

Meer informatie