context

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak

IPA: /[ˈkɔntɛkst/

Woordafbreking
  • con·text
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘samenhang’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord context contexten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

context m

  1. verband waarin iets zich voordoet
  2. de tekst die om de tekst heen staat
    • In de zinnen: "Ik haalde mijn geld van de bank." en "Ik ging lekker op de bank zitten." is de betekenis van het woord bank alleen maar te begrijpen door de context. 
  3. de gebeurtenissen die vóór het gebeurde hebben plaatsgevonden
    • De ontwikkelingen in Turkije kun je alleen maar begrijpen in de historische context. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen