conjunctivitis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·junc·ti·vi·tis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘ontsteking van de conjunctiva’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van het Latijnse conjunctiva (met het voorvoegsel con-) en met het achtervoegsel -itis [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord conjunctivitis conjunctivitissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

conjunctivitis v

  1. (medisch) bindvliesontsteking van het oog
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen