-itis
Uiterlijk
| Huidig bestand |
|---|
| 64 |
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | -itis | -itissen |
| verkleinwoord | -itisje | -itisjes |
- (medisch) ontsteking van het deel van het lichaam dat het grondwoord noemt
- (pejoratief) denkbeeldige ziekte, die vaak een overmaat van het grondwoord uitdrukt, zoals "regulitis": te veel regulering of "vergaderitis": te veel vergaderingen
|
|
- Het woord '-itis' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.