column

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·lumn
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het gelijknamige Engelse woord
enkelvoud meervoud
naamwoord column columns
verkleinwoord columnpje columnpjes

Zelfstandig naamwoord

column m

  1. een kort stukje proza waarin de auteur spits en uitdagend zijn mening ventileert, meestal afgedrukt in een kolom
    • Het referendum van woensdag „gaat niet over Oekraïne”. „Het gaat zelfs niet over Europa of de EU. Het is simpelweg één grote pr-stunt om de marktwaarde van GeenStijl op te krikken.” Was getekend Luuk Koelman. Alleen niet op zijn vaste plek als donderdagse columnist in Metro. De gratis krant heeft Koelmans column geweigerd. De auteur plaatste zijn column vervolgens op een eigen website.[1] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC


Engels

Zelfstandig naamwoord

column

  1. zuil, pilaar, kolom.
  2. computer verticale reeks tekens