pilaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pi·laar
enkelvoud meervoud
naamwoord pilaar pilaren
verkleinwoord pilaartje pilaartjes

Zelfstandig naamwoord

pilaar m

  1. (bouwkunde) een langgerekt vertikaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnede
    De kluizenaar Simon leefde jarenlang bovenop een pilaar van één meter in het vierkant.
Vertalingen

Meer informatie