cilinder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

cilinder
Uitspraak
Woordafbreking
  • ci·lin·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘rolrond voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1562 [1]
  • van het Grieks kylindros = rol [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord cilinder cilinders
verkleinwoord cilindertje cilindertjes

Zelfstandig naamwoord

cilinder m

  1. (wiskunde) lichaam, begrenst door twee gelijke evenwijdige cirkelvlakken en door een gebogen vlak
    • Op een filmpje laat Van der Goot de werking zien. In een trechtervormige uitgang doet een onderzoeker een kruimelig deeg. Even later (in werkelijkheid duurt dit 25 minuten) trekt hij er een rond een cilinder gerolde lap uit van zeven kilo. „We doen er drie kilo sojabloem in en vier liter water”, licht de hoogleraar toe. Daarnaast nog een beetje gefermenteerde rijst voor de rode kleuring.[3] 
  2. (motortechniek) deel waarin de zuiger op en neer gaat in motoren en machines
    • Het grootste cruiseschip ter wereld dat dinsdag Rotterdam aandeed, Harmony of the Seas,is ook een grote vervuiler. De twee 16-cilinder dieselmotoren (Wärtsilä, Schiedam) verbruiken volgens de Britse krant The Guardian elk 5.233 liter brandstof per uur bij volle snelheid, zo’n 250.800 liter per dag.[4] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen