chino

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chi·no
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord chino -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

chino o

  1. (materiaalkunde) dunne, gekeperde stof van katoen, meestal met een kaki kleur
     Dit jasje zonder poespas is gemaakt van lichtgewicht katoenen chino (…).[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord chino chino's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

chino v / m

  1. (kleding) nauw vallende, eenvoudige broek van dun, gekeperd katoen, oorspronkelijk gebruikt als legerkleding en na de Tweede Wereldoorlog populair geworden als vrijetijdskleding
     Beiden droegen een chino, een zachtblauw jasje en een eigeel overhemd.[3]
     Er is een hele wand vol spijkerbroeken van Lee, Wrangler en KOI, al „verkopen spijkerbroeken voor geen meter, alle mannen dragen nu chino’s”.[4]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Door archive.org gearchiveerde versie van 12 oktober 2013 “The History Of The Chino”, Duchamp, Londen
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 mei 2022 Weblink bron “Chino jack” op ralphlauren.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 mei 2022 Weblink bron Machteld van Gelder “Zeus en de Schaamte” (21 juli 2021) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 mei 2022 Weblink bron Nathalie Wouters “Voor de buitenman in de stad” (2 maart 2013) op nrc.nl


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • chi·no
enkelvoud meervoud
chino chinos

Zelfstandig naamwoord

chino m

  1. (taal) Chinees; de voornaamste taal die in China gesproken wordt.
  2. (huishouden) puntzeef

Verwijzingen