broosheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broosheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

broosheid v [1]

  1. het breekbaar en kwetsbaar zijn van iets of iemand
    • Dorsvloer vol confetti levert geen kritiek op geloof, legt Schwab uit. „Dat is wel de setting, maar het gaat over dat ieder mens voor zichzelf een weg moet zoeken. Je hebt mensen waar je van houdt om je heen, maar soms kunnen die je ook belemmeren. Niet uit kwade wil, maar omdat ze gewoon iets anders voor ogen hebben. Dan is het best moeilijk om te zien waar je heen moet. Die broosheid van Katelijne, in combinatie met dat verlangen, ik hoop dat mensen dat raakt.”[2] 
    • "Het opschonen van de huishoudboekjes door banken, huishoudens, niet-financiële instellingen en overheden is grotendeels verantwoordelijk voor de opvallende broosheid van de binnenlandse vraag", aldus de commissie.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen