brandbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen brandbaar brandbaarder brandbaarst
verbogen brandbare brandbaardere brandbaarste
partitief brandbaars brandbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

brandbaar

  1. de potentie hebben te kunnen branden
    • Kerosine is een zeer brandbare vloeistof. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie