boycotten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boy·cot·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • van Engels  boycott ww , eponiem dat verwijst naar de Engelse rentmeester C. Boycott op Wikipedia (nl) die in Ierland in 1880 doelwit was van een actie om hem door uitsluiting te bewegen tot steun voor een betere behandeling van pachters [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boycotten
boycotte
geboycot
zwak -t volledig

Werkwoord

boycotten

  1. overgankelijk iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
    • Na de executie van politieke gevangenen boycotte ik de producten uit dat land. 
  2. ergens niet meer aan mee doen zodat de activiteit niet doorgaat
    • De leerlingen boycotten de lessen van de racistische leraar. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

boycotten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boycot
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
boycotten

boycotten

  1. meervoud verleden tijd van boycotten
    • Wij boycotten. 
    • Jullie boycotten. 
    • Zij boycotten. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen