bovenkleding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·kle·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenkleding
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bovenkleding v [1]

  1. de kleding die zichtbaar is en gedragen wordt boven de onderkleding
    • Met hen gebeurde in grote lijnen steeds hetzelfde. Ze werden door Kelsey, of hoe hij ook heette, aangespoord om „mee te doen”, te „spelen”. Ze trokken voor de webcam in goed vertrouwen hun bovenkleding uit. Het waren veelal kwetsbare meisjes die op school niet populair waren en hier een vriendin of net iets oudere jongen tegenover zich dachten te hebben. „Ik dacht: nou ja, iedereen doet het en ik ken die persoon niet”, zei een van hen tegen de politie, zo bleek op de zitting donderdag.[2] 
    • Je zou De wolkenridder kunnen classificeren als een roman over een midlifecrisis en over de kleine kliekjes troost die een zelfgekozen dakloze nog ontvangt. En ook over de verhouding tussen planning en improvisatie, toch op een bepaalde manier de kern van de Nederlandse samenleving. Zeer Hollands is dan ook wat er in het verpleegtehuis gebeurt. Zelfs daar wordt de zwerver nog verwelkomd, al moet hij zijn van de bacteriën vergeven bovenkleding in een doos in bewaring geven, zodat die de kwetsbare oudjes er geen last van krijgen. Het zijn dit soort kleine taferelen die De wolkenridder tot een uitgesproken warm boek maken, waarin de onvermijdelijke neergang van Verdegaal des te pijnlijker is.[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Thomas de Veen 26 januari 2017
  3. NRC Arjen Fortuin 3 april 2015