werf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werf
enkelvoud meervoud
naamwoord werf werven
verkleinwoord werfje werfjes

Zelfstandig naamwoord

werf v/m

  1. een scheepswerf
    Het schip werd naar de werf gebracht.
  2. een plaats waar goederen gestapeld liggen
    De eigenaar van de werf werd gisteravond dood aangetroffen in zijn huis.
  3. (België) een bouwterrein
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
werven

werf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werven
    Ik werf.
  2. gebiedende wijs van werven
    Werf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werven
    Werf je?

Meer informatie


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
werf
gewerf
volledig

Zelfstandig naamwoord

werf

  1. aanwerven, in dienst nemen
    «Ons het binne ʼn bestek van ses maande veertien beriggewers gewerf. We hebben binnen een bestek van zes maanden veertien informanten aangeworven