werf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werf
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onbebouwde ruimte rond een huis’ voor het eerst aangetroffen in 1001 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord werf werven
verkleinwoord werfje werfjes

Zelfstandig naamwoord

werf v/m

  1. een scheepswerf
    • Het schip werd naar de werf gebracht. 
  2. een plaats waar goederen gestapeld liggen [3]
    • De eigenaar van de werf werd gisteravond dood aangetroffen in zijn huis. 
  3. (België) een bouwterrein
  4. maal, keer [4]
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
werven

werf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werven
    • Ik werf. 
  2. gebiedende wijs van werven
    • Werf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werven
    • Werf je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
werf
gewerf
volledig

Zelfstandig naamwoord

werf

  1. aanwerven, in dienst nemen
    «Ons het binne ʼn bestek van ses maande veertien beriggewers gewerf. We hebben binnen een bestek van zes maanden veertien informanten aangeworven