Naar inhoud springen

botanicus

Uit WikiWoordenboek
  • bo·ta·ni·cus
enkelvoud meervoud
naamwoord botanicus botanici
verkleinwoord botanicusje botanicusjes

debotanicusm

  1. (beroep) een wetenschapper die de plantkunde beoefent
     In 1971 erkende de botanicus Frans Stafleu, een van de meest gerespecteerde biografen van Linnaeus, in welke opzichten de visie van Buffon die van zijn rivaal overtrof: 'Linnaeus maakt melding van de wet van de voortplanting die het voortbrengen van onveranderlijke soorten verklaart, maar veel verder gaat het in die tijd niet,' schreef Stafleu.[1]
     ' Hevig verward laat Nella haar blik over Clara Sarragons botanicus dwalen.[2]
92 %van de Nederlanders;
93 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jason Roberts
    “Al wat leeft” (2025), Hollands Diep, ISBN 9789048848348
  2. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be