botanist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

botanist aan het werk
Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ta·nist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord botanist botanisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

botanist m [1]

  1. (plantkunde) (beroep) iemand die veel verstand heeft van planten; beoefenaar van de plantkunde
    • Goodall is veruit de bekendste wetenschapper van Australië. De botanist en ecologist is ook al meer dan twintig jaar een voorvechter van euthanasie. Maar alleen in de staat Victoria bestaat er een wet die ‘een vrijwillig geassisteerde dood’ toelaat. Al treedt die pas in werking binnen een jaar. En alleen wie minder dan zes maanden te leven heeft – of een jaar als er sprake is van hersenschade – en ondraaglijke pijn lijdt, kan er een beroep op doen. [2] 
    • Falcon-Lang vond in totaal 314 glasplaten. De fossielen zijn gevonden door Darwin en andere leden van zijn wetenschappelijke vriendenkring, onder wie de botanist John Hooker en Darwins mentor John Henslow. [3] 
    • La Maison des Bois wordt gelauwerd omwille van zijn kennis over kruiden en lokale natuur. ‘Als gepassioneerd botanist, weet Marc Veyrat de door hemzelf in het wild geplukte kruiden en bloemen uit de Savoie te vervolmaken. Met zijn creativiteit, authenticiteit en raffinement bezorgt hij klanten een onvergetelijke ervaring’, aldus Ellis. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen